Ius mentis Homepage | Categorieën | Lijst A-Z | Willekeurig artikel | Herpubliceren? | Over deze site | Blog | Contact
 

Aansprakelijkheid en schadevergoeding

Artikel 6:162 BW luidt:

  1. Hij die tegen een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, is verplicht de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden.
  2. Als onrechtmatige daad worden aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond.
  3. Een onrechtmatige daad kan aan de dader worden toegerekend indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

Voor aansprakelijkheid op grond van dit artikel dient aan een vijftal eisen te zijn voldaan, te weten: (1) onrechtmatige gedraging, (2) toerekenbaarheid van de daad aan de dader, (3) schade, (4) causaal verband tussen daad en schade en (5) relativiteit. Jurist Jaap Timmer bespreekt hieronder deze vereisten.

Inhoudsopgave

Onrechtmatige gedraging

Er zijn een drietal algemene gronden of criteria waarop een bepaalde schadeveroorzakende gedraging als onrechtmatig kan worden aangemerkt:

  1. een inbreuk op een recht, of
  2. een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht, of
  3. een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Inbreuk op een recht

Het inbreuk maken op een recht van een ander is onrechtmatig. De functie van het criterium ‘inbreuk op een recht’ bij de vaststelling van het oordeel over de onrechtmatigheid van de gedraging, bestaat in de aanwijzing van bepaalde typen van schadetoebrenging, die op het eerste gezicht onrechtmatig zijn. Hiermee wordt indirect tot uitdrukking gebracht dat gedrag dat een inbreuk tot gevolg heeft afkeurenswaardig is en dus meestal als een onrechtmatige daad gekwalificeerd dient te worden. Waar art. 6:162, lid 2 BW spreekt van ‘inbreuk op een recht’ wordt bedoeld de schending van eens anders subjectief recht (J. Spier, T. Hartlief, G.E. van Maanen en R.D. Vriesendorp, Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding, Deventer, Kluwer, 1997, p. 28).

Het begrip subjectief recht heeft een ruime betekenis en kan velerlei inhoud hebben. Meestal worden twee groepen onderscheiden: vermogensrechten en persoonlijkheidsrechten. Tot de vermogensrechten behoren de absolute rechten, zoals het recht van eigendom en daarvan afgeleide beperkte zakelijke rechten, alsmede rechten op voortbrengselen van de menselijke geest. Tot de persoonlijkheidsrechten behoren het recht op leven, het recht op lichamelijke integriteit, het recht op vrijheid en het recht op privacy. Er is sprake van een inbreuk wanneer de rechthebbende wordt belemmerd in genot, beschikking of gebruik van zijn rechten (bijvoorbeeld zaaksbeschadiging, hinder) of wanneer rechten worden uitgeoefend in strijd met de exclusieve bevoegdheid van de rechthebbende. De maatschappelijke betamelijkheid kan daarbij ook een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of een bepaalde inbreuk ook onrechtmatig is.

Strijd met een wettelijke plicht

Indien bij een schadeveroorzakende gedraging een wettelijke plicht, een wettelijke norm wordt geschonden, dan betekent dit dat daarmee de onrechtmatigheid van de gedraging – in de zin van art. 6:162, lid 2 BW – in beginsel is gegeven (Spier e.a., p. 21). Het kan daarbij gaan om zowel wetten in formele als in materiële zin. Te denken valt bijvoorbeeld aan het Wetboek van Strafrecht of de Wet Economische Delicten maar ook om wetten in puur materiële zin. Ook gedrag in strijd met plaatselijke verordeningen (APV’s) en handelen in strijd met aan een vergunning verbonden voorwaarden kan op deze grond een onrechtmatige daad opleveren.

Bij een strafrechtelijk vergrijp is er uiteraard sprake van handelen in strijd met de wet en is er om die reden in beginsel sprake van civielrechtelijk onrechtmatig handelen. Indien er reeds een strafrechtelijke veroordeling is verkregen, staat de eisende partij buitengewoon sterk voor het bewijs van de onrechtmatigheid van de gedraging. Door de dader / gedaagde kan dan nog slechts het verweer gevoerd worden dat zijn handelen geen aansprakelijkheid oplevert omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste.

Strijd met ongeschreven normen

De derde categorie is "strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt". Er wordt hier ook wel gesproken van betamelijkheids- of zorgvuldigheidsnormen. Het houvast dat er bestaat bij de beantwoording van de vraag of bepaald gedrag als onrechtmatig kan worden gekwalificeerd als het gaat om gedragingen die in strijd zijn met een wettelijke norm of inbreuk maken op een subjectief recht ontbreekt hier. Uit de enorme hoeveelheden uitspraken blijkt dat dit onrechtmatigheidscriterium van groot belang is voor de praktijk. Kenmerkend voor al deze uitspraken is dat ze zeer casuïstisch zijn (Spier e.a., p. 37). De open norm kan uitkomst bieden voor specifieke situaties die niet zijn onder te brengen in de eerste twee categorieën. Er is sprake van een soort restcategorie voor gedrag dat om wat voor reden dan ook onzorgvuldig of onbetamelijk is. Indien een rechtvaardigingsgrond van toepassing is, ontneemt deze in een concreet geval het onrechtmatige karakter aan de daad.

Toerekenbaarheid van de daad aan de dader

Waar de vraag naar de onrechtmatigheid de daad kwalificeert, kwalificeert de vraag van de toerekening de dader. De toerekenbare onrechtmatige daad wordt aangeduid met de term ‘fout’. Een onrechtmatige gedraging kan aan de dader toegerekend worden als de dader ‘schuld’ heeft (Spier e.a., p. 15). De gronden voor toerekening staan in art. 6:162, lid 3 BW. De daad kan aan de dader worden toegerekend indien zij te wijten is aan:

  1. schuld, of
  2. een oorzaak welke voor zijn rekening komt krachtens de wet of,
  3. een oorzaak die voor zijn rekening komt krachtens de in het verkeer geldende opvattingen.

In het eerste geval heeft schuld de betekenis van verwijtbaarheid. De dader moet een persoonlijk verwijt te maken zijn. Hierbij mag volgens de rechtspraak worden geobjectiveerd naar wat een normaal mens verweten mag worden. Schuld ontbreekt als een schulduitsluitingsgrond van toepassing is. Er kan dan nog wel sprake zijn van toerekening op grond van b of c. In geval van een oorzaak welke voor zijn rekening komt krachtens de wet kan toerekening plaatsvinden op grond van bijvoorbeeld artikel 6:165 BW. De derde categorie wordt gebruikt voor gevallen waarbij persoonlijke verwijtbaarheid ontbreekt, maar aansprakelijkheid wel gewenst is.

Schade

Opmerkelijk genoeg wordt het begrip schade niet gedefinieerd in de wet. Wel is bepaald welke schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen. Op grond van artikel 6:95 lid 1 komen voor vergoeding in aanmerking vermogensschade en ander nadeel. Met dat laatste wordt immateriële schade bedoeld.

Ingevolge artikel 6:96 valt onder vermogensschade zowel geleden verlies als gederfde winst. Zowel een vermogensdaling als een vermogensstijging die het slachtoffer ontgaat, komen dus voor vergoeding in aanmerking. Vermogensschade wordt in beginsel volledig vergoed. Op grond van lid 2 komen als vermogensschade mede voor vergoeding in aanmerking: a. de redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade die als gevolg van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, mocht worden verwacht; b. redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en c. redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. In dit kader wordt een dubbele redelijkheidstoets gehanteerd: zowel de te nemen maatregelen als de omvang van de kosten moet redelijk zijn (Spier e.a., p. 171-177).

Op grond van art. 6:106 BW wordt immateriële schade, in tegenstelling tot vermogensschade, slechts naar billijkheid vergoed. Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin immateriële schadevergoeding geclaimd kan worden. Alleen het eerste geval zou eventueel voor dit onderzoek van belang kunnen zijn. Het betreft het geval waarbij de aansprakelijke persoon het oogmerk had zodanig nadeel toe te brengen. Schadevergoeding kan in geld (6:95 e.v. BW) of in een andere vorm (6:103 BW) gevorderd worden.

Causaliteit

Bij het causaliteitsvraagstuk gaat het erom dat de pleger slechts verplicht is de schade te vergoeden die het gevolg is van zijn onrechtmatige daad. In het kader van de causaliteit dient men twee fasen te onderscheiden: de vestiging van de aansprakelijkheid en de omvang van de aansprakelijkheid. In het kader van de eerste fase wordt over het algemeen uitgegaan van een conditio sine qua non-verband, doch dit betreft min of meer een minimum-voorwaarde. Een conditio sine qua non-verband bestaat indien de ene gebeurtenis niet zonder de andere gebeurtenis zou hebben plaatsgevonden.

Tot de jaren zeventig werd door de Hoge Raad de zogenaamde adequatieleer toegepast. Tegenwoordig wordt de leer van toerekening naar redelijkheid (HR 20 maart 1970, NJ 1970, 251 (GJS) (Waterwingebied)) gehanteerd zoals verwoord in artikel 6:98 BW: “Voor vergoeding komt slechts in aanmerking schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de schuldenaar berust, dat zij hem mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.” Factoren die van belang zijn bij toerekening naar redelijkheid zijn op grond van artikel 6:98 BW de aard van de aansprakelijkheid en de aard van de schade. Maar ook andere factoren, zoals de mate van schuld en de mate van voorzienbaarheid, kunnen in dit kader relevant zijn (Spier e.a., p. 186-189).

Relativiteit

Toepassing van het relativiteitsbeginsel – uitgedrukt in artikel 6:163 BW – kan er toe leiden dat ondanks de overtreding van een wettelijke norm, in het concrete geval toch geen aansprakelijkheid wordt aangenomen omdat de overtreden norm niet geacht wordt de belangen te beschermen die in het concrete geval geschonden zijn. De relativiteitsleer bestrijdt aldus een te vergaande aansprakelijkheid door te vragen naar de strekking van de overtreden norm, in het bijzonder of de overtreden norm de strekking had om déze persoon in zijn belangen te beschermen én of de in concreto geschonden belangen vielen onder de bescherming van de norm.

Al naar gelang de interpretatie van de strekking van de geschonden norm, leidt deze opvatting dus tot een beperking van de kring van personen die een aanspraak op schadevergoeding zouden hebben én tot een beperking van de soort van schade. Artikel 6:163 BW is met name gericht op handelen in strijd met een wettelijke norm. Een inbreuk op eens anders subjectief recht is uit de aard van de geschonden norm slechts onrechtmatig jegens degenen op wiens subjectief recht inbreuk wordt gemaakt. Hetzelfde geldt voor de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm. Het is naar zijn aard geen norm die strekt tot bescherming van de belangen van allen die schade lijden als gevolg van het feit dat de vereiste zorgvuldigheid tegenover bepaalde anderen niet in acht is genomen.

Alleen degene jegens wie door een onbetamelijke gedraging een onrechtmatige daad wordt gepleegd, kan een vordering tot schadevergoeding aan art. 6:162 BW ontlenen. In art. 6:163 BW worden daardoor twee aspecten van het relativiteitsbeginsel tot uitdrukking gebracht: het gedrag moet jegens een ander onrechtmatig zijn en de schade zoals de benadeelde die heeft geleden moet ook onder het beschermingsbereik van de norm vallen (Spier e.a., p. 56-57).

Eigen schuld

Wie schade lijdt, kan deze vergoed krijgen door de aanstichter. De schadevergoeding kan beperkt worden als (mede) sprake is van eigen schuld van het slachtoffer.

Nadat is vastgesteld wie aansprakelijk is, wat de schade is en welke daarvan voor vergoeding in aanmerking komt, is er nog één vraag over. In hoeverre is de schade te wijten aan 'eigen schuld' van het slachtoffer? Dit betreft het leerstuk van de 'eigen schuld' zoals neergelegd in artikel 6:101 BW. Dit artikel strekt er kort gezegd toe dat wanneer de schade behalve aan een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, ook aan allerlei andere omstandigheden is toe te schrijven die aan het slachtoffer zijn toe te rekenen, die ander in beginsel slechts een gedeelte van de schade hoeft te vergoeden.

De term 'eigen schuld' is niet geheel zuiver. Artikel 6:101 BW heeft namelijk niet alleen betrekking op verwijtbaar handelen (of nalaten) aan de kant van de gelaedeerde, maar ook op allerlei andere omstandigheden. Daarnaast heeft het artikel een ruim bereik. Het heeft zowel betrekking op situaties waarin het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis mede aan de benadeelde is toe te schrijven, als op situaties waarin de omvang van de schade door de benadeelde wordt be�nvloed.

Twee maatstaven: causaliteit en billijkheidscorrectie

Het eerste lid van artikel 6:101 BW luidt als volgt:

Wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, wordt de vergoedingsplicht verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen , ten dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.

In art. 6:101 BW is een tweetal maatstaven te vinden. De primaire maatstaf is de causaliteit. De vergoedingsplicht wordt verminderd door de schade over benadeelde en vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Dit wordt ook wel de primaire maatstaf genoemd. Het resultaat van de afweging van causale factoren is in beginsel een verdeling, zodat de benadeelde zijn schade gedeeltelijk zelf moet dragen. Artikel 6:101 BW biedt echter de mogelijkheid een billijkheidscorrectie toe te passen wanneer: "een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist". Dit is de secundaire maatstaf.

Toerekenbaar aan het slachtoffer

Kort gezegd moet de schade dus althans gedeeltelijk aan de benadeelde kunnen worden toegerekend. De vraag die daarbij beantwoord dient te worden, is of hij verwijtbaar of anders heeft gehandeld dan een zorgvuldig, redelijk handelend mens met het oog op zijn eigen belangen in de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan, dan wel dat er sprake is van een omstandigheid die naar verkeersopvattingen tot zijn risicosfeer behoort.

Indien de rechter tot het oordeel komt dat de gebruiker anders heeft gehandeld dan een redelijk mens zou hebben gedaan, komt de vraag aan de orde of er sprake is van een causaal verband tussen de schade en de omstandigheden aan de zijde van het slachtoffer. Er moet in ieder geval sprake zijn van een conditio sine qua-non verband tussen de schade en het nalaten bepaalde beveiligingsmiddelen in te zetten. Indien in een specifiek geval kan worden vastgesteld dat de schade niet was ingetreden wanneer van bepaalde maatregelen gebruik was gemaakt, is er in beginsel sprake van een conditio sine qua non-verband. Vervolgens moet de schade, met gebruikmaking van het criterium van art. 6:98 BW, in redelijkheid aan de gedraging kunnen worden toegerekend.

Daarnaast is de vereiste mate van voorzienbaarheid overigens weer afhankelijk van de aard van de gedraging en de geschonden norm.Een andere factor waarmee rekening kan worden gehouden, is de mate waarin het gevolg / de schade verwijderd is van de gedraging.

Afweging van causale factoren

De tweede stap, de afweging van de wederzijdse, causale factoren levert een verdeling van het deel van de schade dat de benadeelde zelf moet dragen. Een andere verdeling dient plaats te vinden indien de billijkheid dit, wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval, eist. Indien de schuld van de benadeelde/het slachtoffer zo gering is dat deze in het niet valt bij die van de aansprakelijke, dan dient zij bij de vaststelling der aansprakelijkheid van de laedens als factor te worden verwaarloosd.

Bij opzettelijk toegebrachte schade wordt aangenomen dat de eigen schuld van het slachtoffer nimmer de dader van zijn aansprakelijkheid ontheft.

Gerelateerde artikelen

Gespecialiseerd advies nodig?

Heeft u na het lezen van dit artikel nog vragen, of zit u met een juridisch probleem waar u advies over wilt? Neem dan contact op met ICT-jurist Arnoud Engelfriet, auteur van dit artikel.

© Arnoud Engelfriet. Dit werk mag vrij worden verspreid en gepubliceerd zoals bepaald in de licentievoorwaarden.

Laatste wijziging:
16 december 2016

Auteur: Jaap Timmer