Ius mentis Homepage | Categorieën | Lijst A-Z | Willekeurig artikel | Herpubliceren? | Over deze site | Blog | Contact
 

Octrooirecht: vloek of zegen

De afstudeerscriptie van Oscar Lamme onderzoekt de vragen "Wat is het doel van het octrooirecht en in hoeverre vervult het octrooirecht dit doel?" en "In hoeverre is het de verwachting dat het softwareoctrooi doeltreffend is?"

Kennis wordt steeds belangrijker in onze samenleving. De grote economieën schuiven steeds meer op richting een kenniseconomie. Het is dan ook belangrijk dat de ontwikkeling en verspreiding van kennis gestimuleerd wordt. Het octrooirecht kan hier een belangrijke rol in spelen. Enerzijds stimuleert de bescherming die het octrooirecht biedt de ontwikkeling van kennis en anderzijds stimuleert het openbaar zijn van octrooiaanvragen de verspreiding van kennis.

Download de volledige scriptie als PDF-bestand (PDF, 590kB). Een uitgebreide samenvatting staat hieronder.

Inhoudsopgave

Het octrooirecht

Het octrooirecht heeft zich ontwikkeld vanuit een systeem van privileges dat ruim 500 jaar geleden voor het eerst werd ingesteld. Het is nooit een vanzelfsprekend recht geweest en het heeft dan ook vaak ter discussie gestaan. Het primaire economische argument voor het octrooirecht is dat het een oplossing biedt voor een marktfalen. Dit zal met name het geval zijn als het gaat om de ontwikkeling van kennis waarvan de onderzoekskosten hoog zijn, terwijl de uitkomsten van het onderzoek onzeker zijn en de kennis makkelijk en snel gekopieerd kan worden door de concurrentie. Het octrooirecht heeft in die gevallen een aansporende werking.

Daarnaast zou het octrooirecht een stimulans vormen voor de verspreiding van kennis, omdat een octrooiaanvrage openbaar is. Het octrooirecht stimuleert zo op twee manieren de innovatie en dit zou goed zijn voor de economie.

Implementatie van het octrooirecht

Als er gekeken wordt naar de implementatie van het octrooirecht dan is te zien dat voor zowel Europa, de VS als Japan geldt dat deze niet altijd consequent is en niet altijd aansluit bij de rechtvaardiging van het octrooirecht. Zo zijn in Europa bepaalde typen uitvindingen uitgesloten en geldt er het vereiste van een technisch karakter. In de VS hanteert men daarentegen weer het first-to-invent principe en is er, net zoals in Japan, sprake van een "grace-period".

Een ander verschil is dat een Europees octrooi niet, zoals een Amerikaans octrooi, in het hele grondgebied van Europa geldig is. Al sinds 1959 wordt hieraan gewerkt, maar om diverse politieke redenen wil dit maar steeds niet lukken. In 2000 is nog wel een poging gedaan om het per EU-verordening in te voeren, maar onenigheid over de rechtspleging, de talen en de posities van de nationale octrooibureaus heeft er toe geleid dat de Gemeenschapsoctrooi-verordening nu aan een zijden draadje hangt.

Het meest opmerkelijke is echter dat er in Europa geen goed onderscheid gemaakt wordt tussen "gewenste" en "ongewenste" uitvindingen. Door het vereiste van een technisch karakter wordt wel een grote groep uitvindingen uitgesloten en daarnaast zijn bepaalde gebieden ook expliciet uitgesloten, maar het ligt voor de hand om de scheidslijn zo te leggen dat juist die uitvindingen worden uitgesloten waarvoor geldt dat ze zonder octrooirecht ook wel gedaan zouden zijn. Dit zullen vooral uitvindingen zijn op gebieden waarvoor geldt dat de onderzoekskosten ook zonder octrooirecht terugverdiend kunnen worden. Dus als de onderzoekskosten laag zijn, de uitkomsten van onderzoek vrij zeker of als de ontwikkelde kennis moeilijk door de concurrentie gekopieerd kan worden.

Doeltreffendheid van het octrooirecht

De doeltreffendheid van het octrooirecht is in deze scriptie bepaald aan de hand van een economische analyse, aangezien het octrooirecht een economisch instrument is. Het octrooirecht zou de innovatie stimuleren en dit zou goed zijn voor de economie. Innovatie is inderdaad belangrijk voor de groei van de economie. Het grootste deel van de economische groei kan immers alleen verklaard worden doordat men slimmer is omgegaan met de productiefactoren, maar het gaat daarbij niet louter om octrooieerbare innovaties. Bovendien is het maar de vraag of er zonder octrooirecht te weinig in innovatie/kennis zou worden geïnvesteerd.

Kennis heeft de kenmerken van een publiek goed, maar dat wil nog niet zeggen dat private partijen er te weinig in zouden investeren. Er zijn voldoende voorbeelden van goederen die dezelfde kenmerken hebben, maar waar wel genoeg in wordt geïnvesteerd, zonder dat er sprake is van een overheidsingrijpen. Er zal alleen te weinig in de ontwikkeling van bepaalde kennis geïnvesteerd worden als de markt zelf niet tot een goed mechanisme weet te komen om de investeringen terug te verdienen. Wat dat betreft kan niet gezegd worden dat het octrooirecht altijd op zijn plaats zal zijn.

Bovendien heeft het octrooirecht een verdergaand effect dan alleen het stimuleren van innovatie. Zo leidt het octrooirecht tot een andere allocatie van middelen, wordt er een monopolie verstrekt en leidt het tot onzekerheid. Machlup heeft een goed overzicht gegeven van alle voor- en nadelen en komt tot de conclusie dat er op voorhand niet gezegd kan worden dat het netto-effect positief zal zijn voor de economie. Ook empirisch onderzoek kan geen uitsluitsel geven. Uit onderzoek blijkt wel dat de chemische en farmaceutische industrie aangeven dat het octrooirecht belangrijk is. Aangezien het onderzoek in deze industrieën alle kenmerken heeft die een octrooirecht rechtvaardigen is dit niet verwonderlijk.

Toch lijkt het octrooirecht in de farmaceutische industrie niet op zijn plaats te zijn, omdat het mogelijk ongewenste praktijken bevordert en het onderzoek dat wordt uitgevoerd weinig toegevoegde waarde lijkt te hebben. Hoewel de industrie de kenmerken heeft die een octrooirecht rechtvaardigen, kunnen er vraagtekens gezet worden bij de wenselijkheid van het octrooirecht voor deze industrie. In hoeverre het octrooirecht in het algemeen doeltreffend is, valt dus moeilijk te zeggen. Zoals Machlup in 1958 al concludeerde: als er geen octrooirecht zou zijn dan is het onverantwoord om het in te voeren en als het er wel is dan is er onvoldoende bewijs dat afschaffing rechtvaardigt.

Software en octrooien

Bij de behandeling van de vraag of software-uitvindingen wel of niet octrooieerbaar moeten zijn, wordt duidelijk dat de omvang van het octrooirecht niet goed is afgebakend en dat het ook hier de vraag is of het economisch effect positief zal zijn. Door het vereiste van een technisch karakter en de uitsluiting van software .als zodanig. is onduidelijk of software nu wel of niet geoctrooieerd kan worden.

Richtlijn octrooi op software

Het EOB is van mening dat dit onder omstandigheden wel kan en verleent daarom ook octrooien op dit gebied. Om een einde te maken aan de onduidelijkheid en omdat een softwareoctrooi economisch gezien gewenst zou zijn, kwam de Europese Commissie met een richtlijnvoorstel. In dit voorstel zouden de grenzen van de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen, beter zijn vastgelegd (Engelstalig).

Als dit voorstel zou zijn aangenomen dan zou dat betekenen dat het softwareoctrooi expliciet zou zijn toegestaan. De economische onderbouwing was echter ondermaats en bovendien is het maar de vraag of het voorstel zou leiden tot meer rechtszekerheid.

Als gekeken wordt naar de economische aspecten van het softwareoctrooi, dan zijn er geen goede argumenten die een softwareoctrooi rechtvaardigen. Zo heeft onderzoek op het gebied van software geen van de kenmerken die er op wijzen dat een octrooirecht nodig is en heeft innovatie juist kenmerken waaruit kan worden afgeleid dat het octrooirecht de innovatie zal belemmeren.

Anderzijds moet bedacht worden dat een software-uitvinding niet altijd goed onderscheiden kan worden van een andere uitvinding en dat de effecten van het softwareoctrooi ook in andere sectoren merkbaar zullen zijn. Maar de analyse blijft desalniettemin overeind, alleen al omdat voor de meeste in software geïmplementeerde uitvindingen nog steeds geldt dat ze moeilijk te kopiëren zijn. Er zijn dus vanuit die visie geen goede gronden om software-uitvindingen octrooieerbaar te maken.

Triviale octrooien

De discussie rondom het softwareoctrooi ging niet alleen over de economische aspecten, maar ook over triviale octrooien en de zin van het aanscherpen van het vereiste van een technisch karakter. Het probleem van triviale octrooien beperkt zich echter niet alleen tot software en is ook niet inherent aan het softwareoctrooi.

Hetzelfde geldt voor het vereiste van een technisch karakter. Net als bij andere octrooien is er geen bewijs dat het een relevant onderscheid maakt tussen gewenste en ongewenste uitvindingen. Het aanscherpen van het vereiste is dus zinloos. Voor de meeste punten die in deze discussie naar voren werden gebracht, geldt dat ze ook opgaan voor het octrooirecht in het algemeen en het heeft dan ook duidelijk gemaakt dat het octrooirecht in zijn algemeen aan herziening toe lijkt te zijn.

Conclusie

De uiteindelijke conclusie moet zijn dat het onduidelijk is of het octrooirecht in het algemeen doeltreffend is, maar dat het softwareoctrooi dit waarschijnlijk niet is. Er kan dus niet gezegd worden dat het octrooirecht een vloek danwel een zegen is.

Toch is er aanleiding om het octrooirecht aan te passen. Er zou binnen Europa in de eerste plaats een gemeenschapsoctrooi moeten komen, waarbij veel aandacht besteed moet worden aan de kwaliteit van de octrooien. Daarmee wordt veel onzekerheid weggenomen over de status van een verleend octrooi en zullen er minder snel triviale octrooien verleend worden. Als het octrooi bij een rechter wordt aangevochten dan is meteen duidelijk wat de status van het octrooi is in heel Europa en kan het octrooirecht bovendien niet een ongewenste handelsbarrière vormen. Per uitvinding bekijken of een octrooirecht gewenst is door te kijken of het onderzoek veel gekost heeft, de uitkomsten onzeker waren en de uitvinding moeilijk te kopiëren is, zal een onwerkbare situatie opleveren.

Wat wel kan en wat nu ook al gebeurt, is het uitsluiten van bepaalde typen uitvindingen. Gebieden waarvoor geldt dat de economische bijdrage niet positief zal zijn, zoals bij software het geval is, moeten uitgesloten worden. Criteria waarvoor geldt dat ze geen relevant onderscheid leveren, zoals het vereiste van een technisch karakter, moeten geschrapt worden en er zou gekeken moeten worden of een octrooiduur van 20 jaar wel optimaal is. Het octrooirecht moet in economisch opzicht geoptimaliseerd worden. Door de negatieve effecten van octrooirecht te minimaliseren, wordt de kans vergroot dat het octrooirecht een positieve economische bijdrage heeft en dus doeltreffend is.

Gerelateerde artikelen

Gespecialiseerd advies nodig?

Heeft u na het lezen van dit artikel nog vragen, of zit u met een juridisch probleem waar u advies over wilt? Neem dan contact op met ICT-jurist Arnoud Engelfriet, auteur van dit artikel.

© Arnoud Engelfriet. Dit werk mag vrij worden verspreid en gepubliceerd zoals bepaald in de licentievoorwaarden.

Laatste wijziging:
16 december 2016